Over de volgende paar jaren, stierven een serie mensen
die met de opgraving van Tut te maken hadden onverwachts, vaak onder mysterieuze
omstandigheden. De doden in 1923 alleen al omvatten Lord Carnarvon's broer, Kol.
Aubrey Herbert; Cairo archaeoloog Achmed Kamal, en de Amerikaanse Egyptoloog
William Henry Goodyear.
Lord Carnarvon zelf stond aan het hoofd van de
tragiese lijst. Op zijn doodsbed hoorde
men
hem verschillende malen de naam Tut Ankh Amon uitspreken. Zijn laatste
woorden waren: “Het is over, ik heb de roep gehoord, ik ben klaar.” Op dat
zelfde ogenblik, toevalligerwijs, natuurlijk, gingen de lichten uit in het
gehele huis. Geen naam is ooit gegeven aan de ziekte waaraan Lord Carnarvon
stierf; doktoren zijn zo ver gegaan om te zeggen dat hij aan een muggebeet
overleed.
De archeoloog Hugh Evelyn-White uit Oxford, die in de
dodenstad bij Thebes had gegraven, stierf ook in 1924. Zijn einde was zelfs
nog droeviger. Hij was na Carter een van de eersten die de doden kamer, waar
de mummie van de faraoh was gevonden, binnen treedde. Hij hing zich zelf op.
Om zijn wanhoops daad te verklaren schreef hij in een brief: “Ik ben
bezweken aan een vloek die me heeft gedwongen te verdwijnen.”
De privee secretaries van Howard Carter, Richard Bethell,
was een van de eersten die de graftombe betraden, hij was ook een van de
eersten die stierf.
Een andere Engelse wetenschapsman, Archibald Douglas Reed,
aangesteld door de Egyptiese regering, was belast met het nemen van Rontgen
fotoos van de mummie voor het naar het Museum van Cairo werd gebracht. De
dag na het nemen van de Rontgen fotoos werd Reed ziek, drie dagen later was
hij dood. Hier was een gezonde man, met een robust gestel; niemand kent de
naam van de kwaal die hem weg vaagde.
Edouard Neville, Carter's leraar, zowel als George
Jay-Gould, Carnarvon's vriend, papyrus expert Bernard Greenfell, Amerikaanse
Egyptoloog Aaron Ember, en de verpleegster die Lord Carnarvon verzorgde
stierven allen in 1926. Ember's dood was in het biezonder spookachtig—hij
probeerde een geschrift waaraan hij jaren had gewerkt te redden uit zijn
brandende huis: Het Egyptiese Doden Boek.
In 1929 stierf Lord Carnarvon's vrouw, Lady Almina, zo ook
John Maxwell, de vriend van de Graaf en beul, en Carter's sekretaris,
Richard Bethell, die dood in zijn bed werd aangetroffen, klaarblijkelijk van
verstikking, op de leeftijd van 35 jaar.
Zes maanden later, stierf zijn jongere broer, Colonel
Aubrey Herbert, alweer aan een onverklaarbare ziekte, toen bezweek de
verpleegster die hem had verzorgd.....
Een goede vriend van Carter, professor La Fleur,
ging, door wetenschappelijke nieuwsgierigheid gedreven, naar Luxor om met
het werk te helpen. Twee weken na zijn aankomst kreeg ook hij de
geheimzinnige ziekte en stierf. Arthur Mace, die, nadat hij de geheime
kamers was binnen gegaan, voelde zich zwak worden; hij moest het bed houden
en stierf spoedig daarna op zijn beurt.
Deze
geheimzinnige sterfgevallen spreken de openbare mening aan. Een hoog
geplaatste regerings ambtenaar wilde de zaken opklaren en hij besloot
persoonlijk een onderzoek in te stellen. Hijkwamnaar de
grafkelder en begonzijnonderzoekingen.
NA
een paar dagen werd hij onwel, en moest hij naar Cairo terugkeren om
verzorgd te worden, enkele uren later was hij dood.